Mensen van Mensink #17: Tristan

Tristan Mensink op Malta

Mensen van Mensink #17: Tristan

Tristan: ‘Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik me moest bewijzen’

De mensen van Mensink: wie zijn ze, waar zijn ze goed in en waarom doen ze wat ze doen? Vandaag Tristan (25), lange tijd ‘de zoon van’, inmiddels bedrijfsopvolger. Er komt een dag en dan is Gonard ‘de vader van’.

In het laatste jaar van zijn mbo-studie marketing en communicatie liep Tristan stage op Malta. 2018, hij was jong, nu kon het nog. ‘Een paar klasgenoten gingen ook die kant op en ik spreek prima Engels.’ Een half jaar lang zorgde Tristan voor zichzelf: ‘s ochtends brood smeren, met de bus naar stage, ‘s avonds koken én afwassen. ‘Op mijn eerste werkdag kwam de bus een half uur te laat. En in plaats van het beloofde kwartier duurde de reis een half uur. Alsnog stond ik voor een dichte poort, het bedrijf was vergeten dat ik kwam. Terwijl ik een paar dagen ervoor nog kennis had gemaakt.’

Lang leve de lol

Vóór Malta was Tristan een jongen die deed wat hij moest doen. School ging hem goed af, hij had veel vrije tijd. Eerst was er de Playstation 2, daarna kwam de Playstation 3. ‘Lang leve de lol, ja. Ik ben jong geweest, in tegenstelling tot mijn vader, die zich al vroeg bemoeide met het boerenbedrijf van mijn opa. Als ik al hielp thuis, was dat op de boerderij: grasmaaien. Het bouwbedrijf, dat mijn vader voor mijn geboorte uit nood was begonnen, ging voor een groot deel langs me heen. Ik vond het niet zo boeiend, zag er geen toekomst in voor mezelf.’

Alleen tijdens vakanties hielp Tristan mee in de bouw. Lichte werkzaamheden. Hij haalt zijn telefoon uit zijn zak en laat een foto zijn van zijn ruggenwervel van vóór de operatie, nu ruim tien jaar geleden. De S-vorm is duidelijk waarneembaar – Tristan heeft scoliose. ‘Mijn rug kan niet veel hebben, de bouw is eigenlijk niet aan mij besteed. Ik denk dat mijn vader me om die reden ook altijd een beetje gespaard heeft. Al vond hij zes weken niets doen te veel van het goede. Dat kan ik ook wel begrijpen.’

Medewerkers van Mensink hebben hem lang als ‘de zoon van’ gezien. Tristan: ‘Daar was ik me toen niet zo van bewust. Maar als ik niet in mijn eentje in het magazijn stond, ging ik met Coen mee de bouwplaats op. Inmiddels weet ik wat dat betekent: hij is de timmerman met het meeste geduld. Als Coen je niet meer mee wil hebben, kun je beter inpakken. Dat de meesten niet op mij zaten te wachten, kan ik best begrijpen, want ik was toen niet geïnteresseerd in de bouw.’

Mee met Coen

Tristan ziet een heel andere toekomst voor zich: het bedrijfsleven. Mede op advies van zijn vader gaat hij marketing en communicatie studeren aan het mbo. En na zijn eindstage op Malta begint hij aan een hbo-opleiding bedrijfskunde. Maar als er iemand weggaat op de administratie bij Mensink, stapt Tristan toch weer binnen bij het familiebedrijf. ‘Het was een goede kans om ervaring op te doen. Bovendien is een beetje geld nooit weg.’

‘Ik heb altijd gedacht dat hij maar wat deed’

Daarna verandert er veel in korte tijd. Binnen de kortste keren gaat Monique – de andere administratief medewerker – met pensioen en stopt Tristan met zijn hbo-studie. ‘Ik bleek het bouwbedrijf veel interessanter te vinden dan school. Ik kan uit al die jaren misschien drie docenten opnoemen die ik mag, waarbij ik zoiets had: die snappen wat het bedrijfsleven inhoudt. Een pipo die vier dagen per week lesgeeft en één dag werkt is dan zogenaamd iemand uit de praktijk. Ik denk dat mijn tijd op Malta iets in mij heeft losgemaakt. Wat we hier hebben is niet vanzelfsprekend.’

Inmiddels is Mensink Bouwbedrijf Tristan’s opleiding bedrijfskunde. Mede vanwege zijn vader, die hij inmiddels consequent Gonard noemt. ‘Ik heb altijd gedacht dat hij altijd maar wat deed, dat het bouwbedrijf uit hand was gelopen. Later ontdekte ik dat het anders zit. Ik krijg altijd een slim en doordacht antwoord als ik hem om advies vraag. Gonard denkt anticyclisch, gaat tegen de stroom in en probeert anderen een stap voor te zijn. En hij geeft me veel vrijheid. Dan zegt hij: ‘Ik ga je niet helpen herinneren hoe je je werk moet doen, dat doet de belastingdienst wel.’ Dat vond ik lastig in het begin, maar het heeft me erg geholpen.’

Van goede wil

Sinds 2017 werkt Tristan in vaste dienst en inmiddels doet hij veel meer dan de administratie. Hij neemt steeds meer taken van zijn vader over en regelt veel operationele zaken. Voor nieuw personeel is hij het aanspreekpunt. Ook de oudere garde, zij die hem ooit zagen als ‘de zoon van’, zien hem als een vaste waarde. ‘Ik heb nooit het gevoel gehad dat ik me moest bewijzen, in ieder geval niet tegenover anderen. Die cultuur heerst hier niet. Eerder andersom, de jongens van het eerste uur – Menno, Michel, Jurgen – hebben me alleen maar geholpen. Omdat ik nu wel wilde.’

Als zoon van ligt het in de lijn der verwachtingen dat Tristan op termijn mede-eigenaar wordt van het bedrijf. ‘Dat onderwerp houdt me bezig en ik heb er goed over nagedacht of ik het wel wilde. Ben ik niet te jong? Marten en Gonard zeiden terecht dat ik niet meteen de leiding hoef te nemen als compagnon. Er is nog tijd om te leren. Het belangrijkste is dat ik denk dat ik hier gelukkig kan zijn. De sfeer is prettig en uniek, iedereen is van goede wil. Van het bouwen gaat mijn hart nog steeds niet sneller kloppen. Het zijn de mensen waarvoor je iets kunt betekenen, zowel klanten als medewerkers.’

Geen kopie van Gonard

Hij wil geen kopie worden van zijn vader en is vastberaden om het beter te doen. Lacht: ‘Dat wordt nog een hele opgave, want steeds als we van mening verschillen, blijkt de man weer gelijk te hebben. Daarin schuilt natuurlijk ook een gevaar. Mensink is altijd heel afhankelijk geweest van Gonard, later van Gonard en Marten. Tijden zijn veranderd, het bedrijf is gegroeid. Zowel Gonard als Marten willen wat afstand nemen van de dagelijkse praktijk en zich richten op nieuwe ontwikkelingen en kansen in de markt. Het is kortom tijd om bestaande bouwstenen aan te vullen met wat nieuwe.’

Het mes van vertrouwen snijdt aan twee kanten

Gonard Mensink in een Harwoonie flexwoning

Het mes van vertrouwen snijdt aan twee kanten

Ik had de eer om een paar woorden te wisselen met de burgemeester van een niet al te grote gemeente in Noordoost-Nederland. Hoe we precies op het onderwerp kwamen weet ik niet meer. Voor mij leek de opmerking uit het niets te komen. De burgemeester ging wat rechter op staan en zei: ‘Vierhonderd FTE,’ daarmee doelend op de loonlijst van het stadhuis. ‘En dan zoeken we ook nog eens honderd mensen. We hebben een personeelstekort!’ Hij glunderde.

Betrouwbaar, eerlijk, recht door zee

Bij Mensink staat de poort open voor iedereen. Ik wilde schrijven: ‘voor mensen met een rugzakje’, maar dat slaat nergens op. Hebben we niet allemaal een rugzakje? Is de rugzak van sommigen te zwaar of weten wij de inhoud niet op waarde te schatten? Hoe dan ook: we gooien de deur niet zomaar dicht, ook niet als er wat meer aandacht nodig is om iemand op weg te helpen.

Daan is een geweldig voorbeeld. Hij heeft PDD NOS, een stoornis in het autismespectrum. Geluiden komen bij hem ongefilterd binnen en hij houdt niet van drukte en grote groepen. Draai je Daan om, dan zie je iemand die een goed oog voor detail heeft en nauwkeurig en perfectionistisch is. Hij is zeer betrouwbaar, eerlijk en recht door zee. We namen (en nemen) hem serieus en nu werkt hij vijf dagen per week als terrein- en werkplaatschef. Daan haalt materialen op, brengt spullen weg en verzorgt het onderhoud van gereedschappen.

‘Als jullie er niet meer zijn valt alles weg’

Bij mensen als Daan komt er via de gemeente vroeg én laat een jobcoach aan te pas, iemand die het belangrijk vindt om mij te vertellen wat ik moet doen. Ik zit daar niet op te wachten en laat dat ook duidelijk merken. Hun toegevoegde waarde is me na al die tijd nog steeds niet duidelijk, toch blijven ze zich opdringen. Laatst zei er een: ‘Het is mooi dat jullie X een kans geven, maar ook kwetsbaar. Als jullie er niet meer zijn valt alles weg voor X.’

Toen brak m’n hamer. We zijn hier al dertig jaar iedere dag! De poort staat altijd open. We hebben plichtsbesef en komen iedere ochtend ons bed uit, zodat de koffie klaarstaat als iedereen zich om zeven uur meldt. In al die tijd ben ik één jobcoach tegengekomen die het wel helder zag. Die zei: ‘Het geld dat ik krijg, moeten ze eigenlijk aan jullie geven.’

Martin Kniest en Johan Middelkamp

Voor de helderheid: dat geld hoef ik niet. Iets voor iemand betekenen, dáár worden we blij van. Het is onbetaalbaar om jongens als Daan een kans te geven en ze op te zien bloeien, vraag maar aan Martin Kniest van Matz Carwash en Johan Middelkamp van Sallandse Wegenbouw. Maar na die opmerking over geld van de verstandige jobcoach zag ik wat ik al langer denk opnieuw helder voor de geest: de overheid wil zaken regelen waar het helemaal niet goed in is. Wie heeft daar nou eigenlijk wat aan?

Ik dacht aan de burgemeester van de niet al te grote gemeente met zijn personeelstekort. Wat voor hem en voor ons zou helpen: een overheid die vertrouwt op marktpartijen die niet bang zijn om te investeren in mensen, talent herkennen, ervoor gaan en dóén. Ik weet zeker dat wij dan nog veel meer kunnen betekenen voor mensen. En dat het met die instelling op het gemeentehuis leger en leger zal worden. Dat zijn twee vliegen in één klap.

Mensen van Mensink #16: Jorn

Mensen van Mensink #16: Jorn

Jorn: ‘Van een stapel hout een huis maken, dat blijft iets moois’

De mensen van Mensink: wie zijn ze, waar zijn ze goed in en waarom doen ze wat ze doen? Vandaag Jorn (25), die al op jonge leeftijd voorman werd en nu ruikt aan een bestaan als uitvoerder.

Zeven jaar werkt Jorn nu bij Mensink. Hij begon als stagiair, werd daarna leerling. Een tijdje zat hij op kantoor, tekenen, het werk voorbereiden, ‘maar dat was niet echt wat, de dagen duurden veel te lang.’ Gonard keek hem aan en zei: ‘Je mag hier ook wel als leerling timmerman komen werken, hoor.’ Dat zag hij wel zitten. Jorn: ‘Dat past beter bij me, naar buiten, met de handen werken. Ik was thuis ook altijd aan het knutselen met hout.’

Materiaalkennis

‘Nou gewoon,’ zegt Jorn een paar keer als we hem vragen waarom hij dat timmeren nou zo aantrekkelijk vindt. Na een beetje doorvragen blijkt hout de magische factor. Jorn: ‘Van een stapel hout een huis maken, dat blijft iets moois.’ Op school leerde hij de wetten van mechanica, deed hij materiaalkennis op en leerde hij om een tekening te lezen. ‘Het is best handig om een basis te hebben. Al word je in de praktijk pas een vakman.’

Na twee jaar timmeren onder de vlag van Menno en Jelmer werd Jorn al voorman. Hij was toen net negentien. ‘Zie je dat zitten? vroeg Gonard. Ik vond het prima, als ik maar geen leerling meekreeg. Ik had nog genoeg aan mezelf op dat moment.’ Als onderaannemers zich op de bouw meldden, vroegen ze aan Jorn: ‘Bij wie moet ik zijn?’ En dan zei Jorn: ‘Bij mij.’

In de keet op de iPad

Inmiddels is Jorn helemaal vertrouwd met zijn rol als voorman. Sterker nog, tijdens zijn jaarlijkse beoordelingsgesprek gaf hij aan wel toe te zijn aan een beetje uitdaging. Daarom ontfermt hij zich op dit moment als uitvoerder over de bouw van acht woningen in Schalkhaar, project Bosw8ers heet het. ‘Er zitten dagen bij dat ik de hele dag aan het bellen ben. Overleggen met onderaannemers, met klanten, dat soort dingen.’

Bij het Bosw8ers project is Jorn het aanspreekpunt op de bouw. Voor klanten, voor onderaannemers, voor timmerlieden, voor kantoor. Dat betekent voor Jorn nog meer plannen, nog meer vooruitkijken. ‘Je moet niet denken dat ik een kantoor heb in zo’n barak. In mijn bus ligt een kladblok, als timmermannen materiaal nodig hebben schrijven ze het op. Ik heb ook wel eens twee uur met de iPad in de keet gezeten.’

Magisch

Mensink bouwt steeds vaker meerdere woningen binnen één project. Het zou kunnen dat we in de toekomst vaker met uitvoerders gaan werken. Of Jorn daarvoor de aangewezen persoon is weet hij niet. ‘Het sfeertje op de bouw vind ik nog te leuk. Een uitvoerder is weliswaar op de bouw, toch is het anders. Bovendien ben ik graag lekker bezig. Zo lang het lijf dat nog prima vindt, blijf ik timmeren. Het blijft iets magisch, je begint met een gat in de grond en als je klaar bent staat er iets blijvends. Een combinatie van timmerman en uitvoerder zou top zijn.’

Na dertig jaar gaat er nu echt iets veranderen in de bouw

Gonard Harwoonie flexwoningen Olst Wijhe

Na dertig jaar gaat er nu echt iets veranderen in de bouw

Toen ik op de lagere school zat – de jaren zeventig – hadden ze het al over zonnepanelen, want op een dag zouden de fossiele brandstoffen opraken. Vijftig jaar later zijn zonnepanelen gemeengoed en hebben we het over circulair en biobased bouwen. We moeten niet alleen onze eigen energie opwekken, ook de voetafdruk van de bouw zelf moet drastisch omlaag. Om met António Guterres te spreken: ‘We zitten op de snelweg naar een klimaathel met onze voet op het gaspedaal.’ Ik ben om, het is niet langer een kwestie van kiezen.

Sneller, sneller, sneller

En dan zijn er nog twee crises in onze sector: het woningtekort en het arbeidstekort. Het moet niet alleen groener groener groener, ook sneller sneller sneller met minder minder minder mensen. Ga er maar aan staan. De hoop is gevestigd op prefab, modulaire woningen die seriematig uit de fabriek rollen. Net als bij zonnepanelen, circulair en biobased bouwen was ik aanvankelijk sceptisch. Prefab is voor de grote jongens, dacht ik vanwege de grote investeringen die dergelijke innovaties vragen.

Maar wat moet je? Wachten? Toekijken hoe alles anders wordt? Het lijkt me saai. Daarom zijn we vanuit de Innovatiehub Salland met het circulaire en modulaire concept Harwoonie begonnen. Ons doel: kwalitatief hoogwaardige huizen die later een nieuw leven kunnen krijgen op een andere plek. De eerste woningen zijn inmiddels gerealiseerd in Raalte, Olst, Wijhe en Heerde.

Volume en vakman

Dertig jaar lang hebben we bij Mensink min of meer hetzelfde gedaan. Ja, de isolatie is dikker geworden en de beglazing heeft inmiddels drie lagen, maar verder: hetzelfde laken een pak. Tot nu. Ik ben ervan overtuigd dat we aan de vooravond staan van echte veranderingen. De bouw zit in een overgangsfase van het oude naar het nieuwe normaal. Ik voorzie twee stromingen: de volumestroming en de vakmanstroming. Want reken maar dat er voor de vakman in de bouw een gouden toekomst lonkt. Voor renovatie, restauratie en op maat gesneden, super persoonlijke woningen biedt de fabriek geen uitkomst. Het is dus en en.

In de begindagen van de automobiel heeft elke smid op de hoek van de straat er wel een gebouwd, las ik ergens. Uiteindelijk verplaatste de productie zich naar grote fabrieken. Vandaag de dag worden in Nederland helemaal geen auto’s meer gemaakt. Met modulair bouwen zal iets vergelijkbaars gebeuren. Of Harwoonie over dertig jaar een van de overgebleven initiatieven is, weet ik niet. Daar gaan we voor, want we geloven in ons concept. Als het niet zo is, kunnen we in ieder geval zeggen dat we niet lijdzaam hebben toegekeken hoe ons bedrijfsmodel achterhaald raakte.

Lissabon 2024: ‘Os homens da construtora Mensink anunciam a primavera’

Team Mensink Lissabon 2024

Lissabon 2024: ‘Os homens da construtora Mensink anunciam a primavera’

Wie Mensink een beetje volgt weet dat er een paar zekerheden zijn in het leven. Op de vrijdag voor de bouwvak bouwen we een feestje en in januari pakken we het vliegtuig naar een exotisch oord. Joeri heeft rondgelopen met een kladblok, zodat jullie mee kunnen genieten van een weekend… Lissabon.

Moeten we weer, zoals bij alle reisverslagen, vertellen dat we onze reis begonnen met koffie aan de zaak, een busreis naar het vliegveld, alwaar we voor het middaguur de eerst biertjes losdopten? En dat we vervolgens de vliegmachine hebben verlost van al haar bier, nootjes en prosecco? Nee toch? Dit is toch bekend? Laten we dan beginnen bij het echte begin, bij het eerste echt noemenswaardige wapenfeit van ons weekendje Lissabon.

Mensink Lissabon ober

Wat we hier zien? Een blije uitbater van het café naast ons appartement in de stad. We trakteerden hem op een recordomzet. Want zo zijn we: sociaal, barmhartig, vrijgevig. Voor de debutanten – Niels, Ivar, Marianne, Bart, Mathijn, Tije, Tonnie, Melvin en Jelle – was de toon daarmee direct gezet. Terwijl de uitbater zijn geld telde en droomde van een vakantie naar de Malediven, vervolgden wij onze tocht door de stad. Er is gedanst met straatmuzikanten en we trakteerden nog meer kroegen op onze aanwezigheid.

Zoals de plaatselijke krant de volgende ochtend schreef:
Os homens da construtora Mensink anunciam a primavera. A presença deles na cidade parece um cobertor quente. (De mannen van Mensink bouwbedrijf kondigen het voorjaar aan. Hun aanwezigheid in de stad voelt als een warme deken.)

Er is gebowld!

Zaterdagochtend staat bij ons normaal gesproken gelijk aan vroeg uit de veren en de handen uit de mouwen. Niet dit weekend. Mogen wij ook een keer? Vá com calma a la Portugesa. Na wat schaarse uurtjes slaap en een broodnodig ontbijt: tram, step, stadiontour, terras, voor ieder wat wils. Vervolgens bowlen natuurlijk. In tegenstelling tot andere jaren hadden we namelijk een bowlingbaan geboekt. Op voorhand – hoe slim! Het lukte dus, we hebben daadwerkelijk gebowld! Met z’n allen. (Echt waar.)

Na het avondeten verzamelden we in de British Bar. Nou moeten we zeggen dat we onze bouwpartners geen moment missen tijdens dergelijke weekenden. Maar hier hadden een paar lieden van Nijhof niet misstaan. Een van de toiletten raakte namelijk verstopt en overstroomde. De inhoud van de wc liep achter de plinten langs, belandde in het ventilattiesysteem, waar vervolgens een geel-bruine substantie uitdroop. Inderdaad: gadverredamme.

Er is een groepsfoto gemaakt!

De volgende ochtend lagen fitheid en verslagenheid dicht tegen elkaar aan. Maar voor een brunch op het terras was iedereen present. Da’s karakter. Vervolgens zijn we gezamenlijk naar Castelo de St. Jorge geklommen, wat voor het merendeel een pittige klim was. Bij enkelen brak het zweet uit. Eenmaal boven hebben we genoten van het uitzicht onder het genot van een goudgele rakker, lekker in de zon. Hydrateren, hydrateren, hydrateren. Dit was tevens de perfecte locatie voor een groepsfoto. Na een gefaalde poging in Porto was het in Lissabon eindelijk weer eens raak.

Team Mensink Lissabon 2024

Om het verhaal nog even af te hechten: opnieuw laat op bed, maandagochtend brak, taxi’s naar het vliegveld, iedereen aan boord, op naar huis, bus, Broeklanderdijk, thuis. En dinsdagochtend 7 uur present. De moraal van het verhaal: je had erbij moeten zijn om het te geloven. Wat is Lissabon mooi van boven.

Mensen van Mensink #15: Eerhard en Christian

Mensen van Mensink #15: Eerhard

Mensen van Mensink #15: Eerhard

Eerhard: ‘Door Christian neem ik het leven niet voor lief’

De mensen van Mensink: wie zijn ze, waar zijn ze goed in en waarom doen ze wat ze doen? Vandaag Eerhard (56) en Christian (31), vader en zoon en Mensinks in hart en nieren. ‘We krijgen in ons leven maar beperkte tijd om de dingen te doen die we graag willen.’

Eerhard richtte bouwbedrijf Mensink op samen met zijn broer Gonard, ‘op de fundamenten van een boerenbedrijf’. Waar Gonard de afgelopen jaren groeide in zijn rol als ‘directeur mensen en bouwen’, deed Eerhard een paar stappen terug. De reden: zijn zoon Christian. Christian is geboren met taaislijmziekte, een ongeneeslijke aandoening die verstoppingen in organen veroorzaakt. Eerhard: ‘Ik wil alles kunnen laten vallen als dat nodig is. Door Chris neem ik het leven niet voor lief. Geld interesseert me helemaal niets en nog minder dan dat.’

Waar zijn leeftijdgenoten doelen stellen en werken aan hun carrière, in de bouw of in een andere sector, is werken voor Christian: bezig blijven, een fijne tijd hebben. Zijn vader raadde hem af om in de bouw te werken. ‘Te veel stof, dat is niet goed voor zijn longen.’ In plaats daarvan koos Christian als tiener voor elektrotechniek. Vanwege zijn ziekte kon hij de opleiding niet afmaken. Hij bekijkt het leven van dag tot dag en werkt momenteel als taxichauffeur bij Holtkuile in Broekland. Bij Mensink klust hij af en toe bij als zaterdaghulp. ‘Ik vind het jammer dat ik geen grotere rol kan spelen in het familiebedrijf Mensink, maar dat is niet anders. Ik accepteer het leven zoals het komt.’

‘Dat is geen leven’

Als gevolg van zijn ziekte kreeg Christian in 2013 twee nieuwe longen en een nieuwe lever. Acht jaar garantie stond er op het bonnetje, inmiddels is hij tien jaar verder. Om te voorkomen dat zijn lichaam in de aanval gaat tegen de organen die niet van hem zijn, slikt hij medicijnen die zijn nieren aantasten. Zijn lot: dialyse – drie keer per week een behandeling van drie uur in het ziekenhuis. Komende winter zou het voor het eerst nodig zijn. Maar afgelopen zomer was het ineens misse boel. Op weg naar een verjaardag wipte Eerhard even langs bij zijn zoon. ‘Zo maar eigenlijk. Ik trof Chris meer dood dan levend aan op de bank. Nierfalen.’

Samen met zijn vader was hij al naar de huisarts geweest voor een euthanasieverklaring. Want dialyseren, dat zag Christian niet zitten. ‘Eigenlijk word je dan kunstmatig in leven gehouden, dat is geen leven vind ik.’ Het alternatief, een donornier, vond hij de moeite niet. Eerhard: ‘Ik bood mijn nier aan, maar Chris weigerde. Hij zei: “Mijn longen gaan nog maar een paar jaar mee, daarna is het klaar en dan ben jij je nier kwijt.” Ik respecteerde zijn keuze, maar ondertussen was ik wel een screeningstraject gestart. Voor het geval dat. En omdat ik mezelf later niets wil kunnen verwijten.’

‘We hebben onze huid duur verkocht’

In het UMCG in Groningen – al jaren Chris’ vaste ziekenhuis – kreeg hij te horen: we moeten nu starten met dialyseren, anders is het snel gebeurd. Daarop zei Christian tegen zijn vader: neem me dan maar mee naar huis. Eerhard: ‘Ik vroeg of hij wist wat dat betekende. Hij knikte. Maar de artsen hielden vol en stelden een niertransplantatie voor – met mijn nier. Terwijl de screening nog niet eens afgerond was. Ze vroegen mij om Chris over te halen en beloofden dat de transplantatie binnen een week plaats kon vinden. Chris hoefde dan maar een paar dagen aan het dialyseapparaat.’

‘Toen zijn we gaan onderhandelen: “Maar dan willen we twee bedden naast elkaar.” Dat was in het UMCG nog nooit gebeurd bij een orgaantransplantatie, maar we kregen het voor elkaar. We hebben onze huid duur verkocht, of niet Chris?’ Eerhard voelde zich verantwoordelijk, Christian uiteindelijk ook: ‘Ik heb ook al longen en een lever van donoren. Door het op te geven zou ik die mensen in de steek laten. Een paar dagen dialyseren vond ik acceptabel. Ik besloot het een kans te geven.’ Eerhard: ‘Doodgaan is niet zo erg, de volgende dag ben je alleen zo ongelofelijk stijf.’

‘Ik liet hem niet los en hij mij niet’

En zo kwam het dat Chris en Eerhard op 2 augustus wakker werden in dezelfde kamer in het ziekenhuis in Groningen. Bewegen lukt amper. ‘Heb jij pijn?’ vraagt Eerhard aan Chris. Chris: ‘Nee ik niet, jij?’ Als de nacht valt, na de laatste ronde van het verplegend personeel, kruipt Eerhard bij zijn zoon in bed. De volgende ochtend worden ze samen wakker. Eerhard: ‘De infuuslangen zaten in de knoop, we hadden allebei een katheter in, ergens tussen ons in slingerde een iPhone-oplader. Het was geweldig.’

De band die Eerhard en Christian na al die jaren hebben is niet uit te leggen in woorden. Chris: ‘Zonder mijn vader had ik niet gekund.’ Eerhard: ‘We hebben elkaar in leven gehouden. Ik liet hem niet los en hij mij niet. Zijn moeder ging weg toen hij vier was. Dan bouw je iets op, snap je?’

Eerhard zei het al: geld interesseert hem niet. Als hij een beetje heeft gespaard, neemt hij zijn vrije dagen op en koopt hij een vliegticket naar Ghana. Met zijn stichting Ghana over de IJssel leert hij Afrikaanse bouwvakkers om calabash cisterns te bouwen, speciale watertanks om regenwater veilig in op te slaan. Eerhard: ‘We krijgen in ons leven maar beperkte tijd om de dingen te doen die we graag willen. Dat bewustzijn groeit als je de dood van dichtbij hebt gezien. In Afrika ben ik niet bezig met overleven, daar leef ik. In Nederland zijn we heel druk met dingen die er helemaal niet toe doen.’

‘Hij ziet zichzelf niet als slachtoffer’

‘Alles wat loutert en leuk en lief is helpt je niet verder,’ gaat hij verder terwijl hij opzij kijkt, naar zijn zoon. ‘Het is misschien fijn om in warm water te liggen, maar het maakt je nog minder mens dan je was voordat je in het bad stapte. Chris is mijn leermeester. Hij heeft me plekken in mezelf laten zien waar ik anders nooit was gekomen. Op zijn zestiende kreeg hij te horen dat hij suikerziekte heeft. Hij huilde twee minuten, toen vroeg hij: “Oké, wat betekent dat voor mij? Wat moet ik doen?” Het leven ontvouwt zich. Het enige waar je invloed op kunt uitoefenen is: hoe ga je ermee om? Chris ziet zichzelf ook niet als slachtoffer, daar hoor je hem nooit over.’ Christian: ‘Ik heb deze ziekte vast niet gekregen omdat ik hem niet aankan.’

Circulair bouwen: terug naar de tijd van onze voorouders

Gonard: Circulair Bouwen

Circulair bouwen: terug naar de tijd van onze voorouders

Mijn schoonvader – geboren in 1919, opgegroeid in de jaren ‘30 – had een kaasschaaf met een houten handvat. Toen dat handvat op een dag brak, gebruikte hij plakband om het te repareren. Later gaf ik hem voor zijn verjaardag een nieuwe schaaf. Die nam hij aan, maar het oude model bewaarde hij netjes in de kast, daar kon je immers nog plakjes kaas mee schaven. Grondstoffen waren duurder dan arbeid, repareren en hergebruik loonde. Wij hadden thuis vroeger een bakje met kromme spijkers op de werkbank staan. Als mijn vader een spijker nodig had sloeg hij er eerst een recht.

Snel snel

Na de Tweede Wereldoorlog trad de derde industriële revolutie in en werd alles anders. Ook in de bouw, waar niet langer grondstoffen maar tijd de beperkende factor was. Metselstenen voeren we nu aan per pallet, verpakt in folie. Stenen die overblijven belanden in de puinbak. Maar het verhaal van Ikea, iPhone en snel snel loopt af. Grondstoffen raken op, de aarde hapt naar lucht.

Ook in bouw – verantwoordelijk voor 11 procent van de totale CO2-uitstoot in Nederland – moet het anders. Onlangs werd ik door Bouwend Nederland geïnterviewd rondom de vraag: ‘Hoe kunnen aannemers en slopers elkaar vinden in de circulaire opgave?’ Mijn antwoord: bouwers en slopers hebben elkaar al gevonden. Wij scheiden ons afval en bij de slopers staan de gebruikte deuren en balkhout hoog opgestapeld tegen de loodswanden. De klant is aan zet.

Max Middelbosch

Zo’n vijftien jaar geleden bouwden we een hotel aan de rand van Raalte. Hoofdzakelijk met oude stenen, gebruikte pannen, hout en gebinten. Volgens een bekend model is de opdrachtgever van dat hotel – Max Middelbosch – met de kennis van nu een innovator. Zij zijn de eerste gebruikers bij innovaties. Als het om circulariteit gaat zijn we inmiddels aanbeland bij de tweede groep, de early adaptors. Ook bij Mensink krijgen we steeds vaker vragen met betrekking tot circulair bouwen.

Grote veranderingen gaan langzaam, maar raken doorgaans in een versnelling zodra de early adaptors een innovatie omarmen. Zo ging het ook bij de isolatie-revolutie in de jaren zeventig en recenter bij de warmtepomp. We moesten er allemaal niets van weten, totdat een kwart van de mensen om was. Tegenwoordig kan de jas van een huis ons niet dik genoeg zijn en maak je de blits met een warmtepomp voor of naast de woning.

Genoeg folie afgevoerd

De overheid stelt middels een MPG-score (MilieuPrestatie Gebouwen) al eisen aan de milieubelasting van materialen in een gebouw. Een goede eerste stap en opmaat naar het hogere doel: een volledig circulaire bouweconomie in 2050. Als bouwer zeg ik: kom maar op. We zijn er klaar voor. Ik heb gezien hoe mijn schoonvader het deed met zijn kaasschaaf en mijn eigen vader met kromme spijkers – en vooral: hoeveel voldoening het die mannen gaf. We hebben nu wel genoeg folie afgevoerd en spiksplinternieuwe stenen tot puin gedegradeerd.

Mensen van Mensink #14: Robin

Mensen van Mensink #14: Robin

Mensen van Mensink #14: Robin

Robin: ‘Marianne kwam voor me op’

De mensen van Mensink: wie zijn ze, waar zijn ze goed in en waarom doen ze wat ze doen? Vandaag: Robin te Wierik (28), technisch tekenaar en voormalig schoonzoon van de baas. ‘De eerste keer dat hij me meevroeg dacht ik: ben je gek!’

In tegenstelling tot veel andere jongens zat Robin eerder bij de Mensink’s aan het avondmaal, dan dat hij een biertje dronk in de kantine van het bouwbedrijf. De reden: een liefdesrelatie. Na de zoveelste zaterdagochtend uitslapen aan de Broeklanderdijk zei Gonard, de vader van Robin’s toenmalige vriendinnetje: ‘Zou je niet eens wat gaan doen, jongen? Ik kan wel wat handen gebruiken.’ Zo belandde hij – zonder bouwambitie – in de bouw. ‘Ik kende Mensink helemaal niet, er stonden nog oude schuren. Als ik aan een bouwbedrijf dacht, dacht ik aan Meijer.’

Een lekkere binnenkomer (maar niet heus)

Niet dat Robin een onhandige jongen is, integendeel, hij is buitenmens en studeerde Groen & Dier op Landstede in die tijd. Op zaterdag werkte hij bij een kwekerij in Mariënheem. Het werken daar hield op een zeker moment op, Mensink kwam ervoor in de plaats. Zijn eerste klus weet hij nog: cement van oude stenen afbikken. ‘Echt een lekkere binnenkomer.’

Ruim acht jaar later zegt hij: ‘De eerste keer dat Gonard me vroeg om te helpen dacht ik: ben je gek! Nu kan ik zeggen dat het goed is geweest voor mij. Ik heb een beetje kunnen ontdekken wat ik wil.’ Na Landstede begon Robin aan een timmeropleiding aan het Deltion College. ‘Als je wat wilt in de bouw, moet je naar school, kreeg ik te horen.’ Daarna leerde hij bij Bouwmensen in Deventer door voor assistent-uitvoerder. ‘De dierenwereld is een zachte, liefkozende wereld. De bouw past beter bij mij. Hopsakee, handen uit de mouwen en aanpakken die handel.’

‘Laat het maar zien’

Inmiddels werkt Robin als technisch tekenaar op kantoor. Geen keuze uit luxe, maar het gevolg van een hardnekkige schouderblessure. ‘Mijn zwakke plek, een ontwerpfout. Ik had regelmatig een arm uit de kom en moest geopereerd worden aan beide schouders. Er kwam een plek vrij op kantoor, ze vroegen of ik er wat voor voelde. Ik heb er een nachtje over geslapen, drie dagen later ben ik begonnen. Gonard zei: “Laat het maar zien.”’ Het vak leerde Robin al doende, daarbij geholpen door zijn werkervaring buiten. ‘Ja, dat scheelt een hoop. Ik weet hoe het eraan toegaat op de bouwplaats.’ Daarnaast volgde hij één jaar de Kader- en Ondernemersopleiding in de Bouw.

Als technisch tekenaar vormt Robin – samen met Rens, Jelle en Lars – de schakel tussen de ontwerpers en de bouwers. Ontwerpen werkt hij eerst in detail uit voor de vergunningaanvraag, daarbij rekening houdend met het bouwbesluit. ‘De gemeente kijkt vooral naar inhoud, materiaalgebruik en duurzaamheid.’ Vervolgens worden de ontwerpen technisch gereed gemaakt voor de werkvoorbereiders. ‘We zorgen ervoor dat een ontwerp uitvoerbaar wordt, dat de timmermannen ermee aan de slag kunnen. Dan heb je het bijvoorbeeld over de uitwerking van een hoekkeperuitslag.’

Praktische jongen

De rol als technisch tekenaar past hem goed. ‘Heel goed, zelfs. Het heeft alles met techniek te maken, maar ik mag ook meedenken over bijvoorbeeld de indeling van een woning. Het is gevarieerd.’ De bouwplaats mist hij soms. ‘Vooral in de zomer: korte broek, fijn muziekje, lekker hoor.’ Nog niet zo lang geleden sprong hij bij toen er nood aan de man was. ‘Tegen onze werkvoorbereider zei ik: “Als jij mijn werk afmaakt, help ik jou uit de brand.”’ Robin haalde zijn oude kloffie op en een uur later stond hij in het zand. Daarnaast verbouwde hij de oude woning die hij twee jaar geleden met zijn vriendin kocht. ‘Alles wat ik de afgelopen jaren bij Mensink heb geleerd, kon ik in de praktijk brengen.’

De schoonzoon van de baas is Robin al lang niet meer. Of die relatie hem heeft geholpen om bij Mensink aan het werk te komen? ‘Haha, nee hoor. Hoewel: Gonard’s vrouw, Marianne, kwam wel eens voor me op. Dan zei ze: “Doe eens aardig tegen die jongen.” Verder hielden we die zaken strikt gescheiden.’ En als hij Gonard’s dochter niet tegen was gekomen, acht jaar geleden? Robin: ‘Dan had ik hier waarschijnlijk niet gezeten.’

Mensen van Mensink #13: Udo

Mensen van Mensink #13; Udo

Mensen van Mensink #13: Udo

Udo: ‘Een huis is een steeds complexer product’

De mensen van Mensink: wie zijn ze, waar zijn ze goed in en waarom doen ze wat ze doen? Vandaag: Udo Zwijnenberg (48), werkvoorbereider. ‘Mijn werk is niet moeilijk, alleen veel. En dat maakt het moeilijk.’

Hoe was je vakantie, Udo?

‘Goed! We zijn twee weken met de kinderen in Zuid-Frankrijk geweest. Misschien was het wel de laatste vakantie met z’n allen, de kinderen worden groot. Het lukt me tijdens vakanties over het algemeen goed om afstand te nemen van mijn werk. Dat wil ik ook, het helpt me om fris te blijven. Wat ik zoal doe? Wandelen, hardlopen, rustig aan doen.’

Udo werkt sinds 2015 bij Mensink. Als werkvoorbereider. Zijn loopbaan voor hij bij ons kwam: de LTS, de MTS, timmerman en assistent-uitvoerder bij een bouwbedrijf, toezichthouder bij de gemeente, werkvoorbereider bij een bouwbedrijf, werkvoorbereider bij een stallenbouwer.

Waar moest je aan wennen toen je bij Mensink kwam?

‘Ik was grote, gestructureerde projecten gewend met veel aansturing. Meestal liep er dan een projectleider of uitvoerder rond die zei: ‘Even opletten allemaal, zo gaan we het doen.’ Medewerkers bij Mensink genieten veel vrijheid, er zijn voormannen bij die heel veel zelf regelen. Die verschillende smaken en stijlen moest ik leren kennen. Pas na een jaar snapte ik een beetje wat er van mij gevraagd wordt.’

Mensink werkt daarnaast zonder uitvoerders. Wat vind je daarvan?

‘Voor de kleinere bouwen werkt het prima. Maar we zijn steeds vaker betrokken bij grotere projecten, met meerdere woningen of bedrijfsgebouwen. Denk aan de Harwoonie-woningen, The Green East of het Bosw8ers-project. Bij die projecten is het fijn als iemand het overzicht houdt. We experimenteren nu met voormannen die de rol van uitvoerder een paar keer per week op zich nemen. Dat werkt goed. Ik kan me voorstellen dat we daarmee verdergaan, want we hebben de ambitie om meer te doen met grootschalige projecten. We hebben voormannen in onze gelederen die zo’n rol als uitvoerder ambiëren. Ik zou er zelf ook iets in kunnen betekenen. Vroeger wilde ik altijd uitvoerder worden.’

Hoe is het werk van een werkvoorbereider veranderd in de afgelopen jaren?

‘We maken steeds meer gebruik van geprefabriceerde producten: binnenmuren, daken of dakdelen, gevelelementen, noem maar op. Dat vereist meer controlewerk van een werkvoorbereider, want alles moet precies passen. Daarnaast worden er steeds meer eisen gesteld aan een woning, bijvoorbeeld op het gebied van luchtdichtheid, waardoor de speelruimte steeds kleiner wordt. En we werken steeds vaker met verschillende materialen. Neem een buitengevel die bestaat uit hout-, stuc- én metselwerk. Dat moet allemaal netjes op elkaar aangesloten worden. Een huis is dus een steeds complexer product. Vanaf 1 januari treedt de Wet Kwaliteitsborging in werking, waarbij we de kwaliteit van ons werk moeten controleren en aantonen. Mijn werk is niet per se moeilijk, wel veel. En dat maakt het weer moeilijk.’

Waar streef je naar in je werk?

‘Hoe meer keuzes worden gemaakt in het ontwerptraject hoe fijner. Het creëert duidelijkheid. Alleen: de klant kan niet altijd alles in één keer overzien. En dus is ons werk een soort balanceeract, waarbij we opdrachtgevers proberen mee te nemen zonder dat ze afhaken. We staan voor flexibiliteit bij Mensink. Ergens op de website staat: ‘Kom je tijdens de bouw op andere ideeën? ‘Geen probleem!’ Dat is nog steeds zo, maar door het grotere aandeel geprefabriceerde materialen en de hogere eisen wordt de speelruimte kleiner. Hoe meer we op voorhand bespreken, hoe fijner en vlotter een timmerman aan de slag kan. Gelukkig is onze ontwerpafdeling erg goed in het visualiseren. Dat maakt het voor opdrachtgevers makkelijker om knopen door te hakken.’

Hoe ziet jouw werk er over tien jaar uit?

‘Het aandeel geprefabriceerde onderdelen zal verder toenemen, de technische en optische detaillering verfijnder. Daardoor zal de rol van de werkvoorbereider groter worden en de bouwtijd korter. Ik voorzie dat de werkvoorbereider nog meer een spin in het web wordt – de werkvoorbereider als cement tussen ontwerper, klant, onderaannemers, timmermannen, en fabrieken.’

En jouw persoonlijke ambitie?

‘Ik zou vaker grote projecten willen voorbereiden en begeleiden, waarbij ik ook deels de rol van uitvoerder kan vervullen, al dan niet samen met de voorman ter plaatse. Misschien komen we dan ook bij de conclusie: de bouw is volop in ontwikkeling en daarom nooit saai.’

Bericht aan alle werkgevers van Nederland

Bericht aan heel Nederland; hoe om te gaan met de nieuwe generatie

Bericht aan alle werkgevers van Nederland

Was het niet John F. Kennedy die zei: ‘Vraag je niet af wat het land voor jou kan doen, vraag je af wat jij voor het land kan doen.’ We zijn weer verdergegaan waar we waren gebleven, de bouwvak zit erop. Hup, aan de slag, handen uit de mouwen. De oudere generatie zet de knop zo weer om. De nieuwe generatie daarentegen…

Een tijdje geleden kreeg ik een vacature doorgestuurd van aannemersbedrijf Sietsema uit Uithuizen. Gezocht: ‘Timmerman/Timmervrouw’. Het bedrijf legt de rode loper uit voor nieuwe aanwas. Eerder weg omdat je naar een voetbalwedstrijd wilt? Een dagje eerder op vakantie omdat de aanbieding gunstig is? Onder werktijd je kind van schoolreis halen? Het is allemaal mogelijk bij Sietsema.

Ik kreeg jeuk van de advertentie, zoals ik de laatste tijd vaker jeuk krijg van vacatures.

Het valt me op dat bedrijven – in welke sector dan ook – steeds gekkere capriolen uithalen om mensen aan te trekken. Ik ben niet tegen flexibiliteit, integendeel. Maar niet voordat iemand zichzelf heeft bewezen. De volgorde is: verantwoordelijkheid nemen, vertrouwen krijgen. Alleen dan groeien talentvolle jongelui uit tot karakters, tot waardevolle krachten. Daar heb ik als werkgever wat aan, maar de werknemer zelf profiteert net zo goed. Niet alleen op de werkvloer, ook daarbuiten. Voor de hele maatschappij is het beter (voetbalclub, ouderraad op school, in de buurt, etc.).

Eigenlijk kunnen we het jongeren nauwelijks kwalijk nemen dat ze steeds vaker hun hand ophouden nog voor diensten bewezen zijn. Stagelopers worden met de auto gebracht door hun moeder, op social media zien ze filmpjes voorbij komen over ‘passief geld verdienen’ (‘Werk jij nog voor een baas? Je bent gek!’) en investeren in vastgoed. Ook een trend: jonge lui die te makkelijk en te veel geld krijgen van hun ouders. Tja… Dan begin je met een achterstand op de arbeidsmarkt.

In plaats van deze onrealistische toekomstbeelden te voeden (of ontkennen, ‘Het is de nieuwe tijd’) moeten wij, werkgevers van Nederland, in actie komen. Want goed werkgeverschap is ook: opvoeden, een waarheidsgetrouw beeld voorschotelen over wat het werkende leven inhoudt.

In de vakantie publiceerden we het verhaal van timmerman Robin Dollenkamp. Op dit moment bouwt hij een huis voor zijn gezin. Dat doet hij naast zijn werk. Op de vraag hoe hij dat volhoudt antwoordt Robin: ‘Het kost energie, dat is een feit. Maar het gééft ook energie. Mijn vrouw en ik hebben van te voren duidelijke afspraken gemaakt, want de kindjes vragen continue aandacht. Het klinkt stom, maar je moet je sociale leven tijdelijk aan de kant zetten, anders kom je er niet mee over. Dan wordt het een jarenproject en dat wil ik niet – ik wil tempo maken. Dat betekent: iedere avond aan de slag en ook op zaterdag en zondag.’

Over karakter gesproken. In een bijzin prijst hij de flexibiliteit bij Mensink. Niet nodig. Die flexibiliteit heeft hij, afgedwongen, verdiend. Jongens als Robin hoeven niet eens te vragen om een kind onder werktijd op te halen van schoolreisje. Dat regelen ze zelf wel. Die vrijheid hebben ze in de loop van de tijd gekregen en belangrijker: behouden – omdat ze er geen misbruik van maken. De banen zijn op zoek naar jou! lees ik overal. Maar wat hebben we eraan als medewerkers alleen komen halen? Wat heeft de medewerker daar aan? Hup, aan het werk!