Mensen van Mensink #27: Tonnie

Tonnie: ‘Om twaalf uur ’s middags stuurden jongens van Mensink me naar huis’

De mensen van Mensink: wie zijn ze, waar zijn ze goed in en waarom doen ze wat ze doen? Vandaag Tonnie (64), bij Mensink bezig aan zijn tweede jeugd nadat hij een tijdje in de ziektewet liep. Voor opleverpuntjes rijdt hij overal en nergens naartoe, met in zijn thermoskan een liter koffie.

‘Tropical Tonnie!’ noemen collega’s bij Mensink hem. Of gewoon: ‘Tropical!’ Waarom? Dat weet hij ook niet precies: ‘Dat is gewoon mijn naam.’ Maar na een half uur tegenover hem denk je: het past wel. Al is hij, afgezien van drie reisjes met Mensink (Mallorca, Lissabon en Tirana), nooit buiten Nederland geweest.

‘Hoe heet die muiter nou?’

Toen we hem vroegen voor deze rubriek, was zijn eerste reactie: ‘Jullie willen me toch niet met pensioen hebben, hè?’ 64 is hij. ‘Als het goed is kan ik er met 65 uit, maar dat wil ik niet. Ik ga die jongens nog een beetje langer plagen. Het bevalt me best hier.’

Sowieso is Tonnie blij dat hij nog werkt. Drie jaar geleden sloot hij een periode van acht jaar in de ziektewet af. Hernia’s in zijn nek hadden hem dwarsgezeten. Op een dag zat hij op zijn knieën te werken en kon hij niet meer omhoog komen.

Thuis wachtte hij af. Een tijd lang deed hij helemaal niets, maar dat hielp niet. ‘Stond ik alsnog op de kop in bed van de pijn.’ Er kwamen spuiten, er volgde een operatie, allemaal zonder resultaat. Toen besloot hij: dan ga ik weer wat doen. In zijn eigen schuur maakte hij kozijnen en deuren in opdracht van een aannemer.

De hernia ging er niet sneller van over, maar van stilzitten werd het ook niet beter. En zo is het eigenlijk nog steeds. De pijn is er continu, maar hij doet net of het niet bestaat. ‘Iedere ochtend en iedere avond neem ik paracetamol en… hoe heet die andere muiter nou? Van die capsules met witte poeier erin. Op recept.’

‘Als het journaal begint zit ik nog in de schuur’

Na een periode van acht jaar klopte Tonnie drie jaar geleden bij Mensink aan. Gonard zei: ‘Bij Harwoonie kunnen we je wel gebruiken.’ Tonnie: ‘Toen heb ik daar de boel op de kast gejaagd. Mooi werk.’ Inmiddels ontfermt hij zich bij Mensink over de zogeheten opleverpuntjes. Hij rijdt overal en nergens naartoe, met in zijn thermoskan een liter koffie.

En als hij ’s middags thuiskomt, knooit hij lekker verder op het erf waar zijn opa ooit boerde en waar hij nu met zijn ouders woont. ‘Mijn ouders zorgden voor mijn opa toen hij hier nog woonde, ik nu voor mijn ouders.’

In de schuur werkt Tonnie aan zijn eigen projectjes. ‘Soms ga ik naar de kringloop, dan haal ik een oude massieve kast op en dan maak ik die weer mooi. Als ik een tafel wil, maak ik hem zelf. Er is altijd wat te doen.’

De krant leest hij niet, voor het journaal is hij te laat binnen. ‘Dan zit ik nog in de schuur. Als ik om kwart over acht binnenkom drink ik nog een bakkie koffie, om half tien ga ik slapen. Alleen voor een mooie oorlogsfilm wil ik nog weleens gaan zitten.’

‘Aron had gezegd: hou hem in de gaten’

Nee, rustig aan doen is er niet bij voor Tonnie. Hij staat om vijf uur op en is om zes uur als eerste bij Mensink. Als de rest tegen zevenen arriveert, is hij al vertrokken.

Vorig jaar nog duvelde hij van een ladder af: ruggenwervel gebroken. ‘Ik moest zeven weken rust houden. Toen de foto’s goed waren kreeg ik groen licht om wat te doen, vier uurtjes in eerste instantie. Kwamen jongens van Mensink om twaalf uur ’s middags naar me toe om me naar huis te sturen. ‘Hou hem in de gaten,’ had Aron gezegd.’

‘Ik heb het altijd zo gedaan,’ zegt Tonnie. Sinds zijn zestiende is het zijn ritme: zes dagen per week werken. ‘Op de lagere school kon ik niets leren, ik moest een klas overdoen. Ik zei: ‘Dat doe ik niet, ik ga naar de LTS.’ Dat lukte wel, lekker timmeren. Ik was thuis ook altijd met hout bezig.’ Hij ging de bouw in en werkt daar nu ruim veertig jaar.

Alleen op zondag houdt hij zich in. ‘Dan zit ik lekker lui in de stoel, of ik loop een keer op mijn dooie gemak naar de schuur. Ik meet wat op, teken wat uit. Bij mooi weer pak ik de vishengel, dan zit ik om vijf uur ’s ochtends aan het water. Om negen uur heb ik het net wel zo vol, dan ga ik weer naar huis. Maar eerst de vissen terugzetten.’